| Full text |
176
aanloopen, op zn dikke X-beenen, log lijf waggelend, »’ier niet
zeeh ’k, nom-de-dju !«
Maar de zatte hoorde niet, peuterde door aan z/n gulp, met
bevende vingers, kop in aandacht voorovergebogen, met onzekere
pap-beenen stampend van ongeduld.
__ Zel kik àu ’ellepe? sleepte de meid, gillerig lachend. »Of
kun-de ’t wel allien?« ’n Rilling van geile begeerte vloog over dr
lijf. D'r dikke lippen lilden. D'r welige borst ging zwaar op en
neer van gehijg. D'r kier-oogen, zeer breed, lonkten schitter-
donker.
De bende lachte, men stootte haar aan, trok d'r aan de kleeren,
neep d'r in armen en borsten. En lijdelijk liet ze toe, lok-lach
om lil-lippen, hoofd slap hangend op schouder .… De zaal was
weergalmend vervuld van schuifelend kroeg-rumoer, en stuiperig
gelach, en geplof van zware voeten.
Buiten, op den koer, ruisch-spetterde ‘n zware vochtstraal .…
En tegen ’n pilaar geleund, achteraf, vaal-bleek, huiver-kil, koud
zweet-bedruppeld, stond David, hoed op achterhoofd, stokje op
grond gevallen, armen slap langs lijf, oogen half toe, rond flauw
open-gezakt; als ‘n verzopen pierewaaier, van walging door-
glibberd, zeer wit, en wetend niets, niets meer.
Verkerken kwam binnen, schraal, kroesbaard verward, hongerig
gelaat zeer bleek, oogen in koortsgloed. Achter ‘m aan: Afge-
knotte-cylinderhoed scheef, grooten zwarten knevel glanzend, wan-
delstok met geel-ivoren knop dandy-achtig onder arm: Delville.
_— Ghezellen! nen gòeien avend! Maar wat ies’ ièr te doen?
_— Ze motte àu ’èbbe Delville ! Opgepast of ghe zult kletse kraighe!
— En van wie datter
— ’edde gha »den Zwârte« afgesteld?
— Vaneighe datte!
— Awel, doar ’'edde-n-'m!
De zatte zwierde weer naar binnen, liet zich van meubel tot
meubel kaatsen, hief z’n kwallige beenen met akrobaten-vaardig-
heid omhoog, maakte beentje over, viel, scheerde langs den grond,
werkte zich stommelend weer op. Z'n gulp stond open. 'n Flard
van zn roodbaaien hemd hing er uit. Zn rooie kop straalde voel-
baar warmte, ’n bloeddorstige roofdierglans brandde in zn ont-
stoken natte oogen. Toen-ie Delville. gewaar werd, ging-ie met
zn achterwerk leunen tegen ’n tafeltje, dat langzaam achteruit
schoof, tot ’tdoor ’n ander werd vastgehouden. De buitenlucht
scheen ’m toch iets opgefrischt te hebben. Want terwijl zn lijf.
in voortdurende verwringing bleef, als door hevigen jeuk geplaagd,
scheen ie z’n hik kwijt te zijn. Met schokkig bespiegelings-ver-
toon, mummelde hij:
? |