| Full text |
3
en deden centen klinkend vallen op ’n bord, dat bij den ingang
op ’n tafeltje stond.
Voorzichtig slenterden ze naar voren; de weinige zitplaatsen
waren dra bezet, door de vrouwen. De mannen moesten staan. De
zwarte, glanslooze, opééngepakte menschenmassa was ’n machtig
kontrast met de vurig beschilderde balustrade, en in de helspiege-
lende wanden stonden schril de bleeke maanlicht-gelaten.
Allen babbelden dooreen; met hartstochtelijke gebaren de Joden;
met gemaakt Joodsch accent, handen in jaszakken, kopschuddend,
op hielen heen-en-weer draaiend, de Kristen. Aanvankelijk werd er
gedwongen gefluisterd, maar men werd warm, men sprak vrijuit,
hoog-op, onder vertrouwden; de vergadering was ’n rommelende
bevende grond, ’n zoemend beest, dat stootte langzaam uit zn naar
boven geopende muil, 'n sombre zee van klotsende geluiden, die
luchtig gingen en woelend kwamen, die klinkend vielen en donderend
òpstaken,.… ’n breed-woeste branding van diep-zoemend man-geluid.
Op nu uit je gedroom, kleine Davidje; van je gelaat nu peinzende
trek. Gloeiïng nu op je wangen, git-zwarte schittering nu in je kijkers.
Hoor, hòòr! ’t vergadering-monster brult en geeuwt en wacht
trillend op je geestdriftig woord.
Zie, o zie! hoe somber deint ’t zwarte mensch-gegolf.
Ze wille niet langer wachten, ze trampelen van ongeduld, ze moeten
gekitteld worden en òpgevoerd, langs stormige gedachte-wegen,
naar donderende, bloed-kokende sensueele massa-passie... Hoor!
Bom... Bom... bom-bom-bom.….
Bom... Bom... bom-bom-bom.
David zat aan ’n tafeltje zenuwachtig, — weg — op z’n bevende
vingers te bijten. Naast ’m Makkie, die zou vóórzitter zijn, hand
aan bel, snuffelend met zn slanke neus... Waar bleef Romeo?
— Laat Romeo ’t eerst spreke, fluisterde uiterst ingespannen
David. Ik ben in stemming, ik mot ’t laatst, dan... gaan ze geest-
driftig wech.….
— In order.
Waar bleef Romeo?
Daar zag je-n-m eindelijk, reuzige vurige vleeschkolos, brekend
met doffe elleboogstooten door de massa. Op z'n gespierde, woest
naar achter gebogen stierenek waren de aderen koortsig gezwollen ….
zn zuidelijke kop, met de wijd-open neusvleugels en ’t raaf-zwarte
haar, glom rood; z’n woeste zwarte oogen glinsterden energiek.
Met ’n sprong was-ie op ’t podium, dat onder ’t gewicht van
zn lichaam boog.
— Gij sprekt ’t ierst, — beet Makkie 'm toe.
— t Ies me zjuust gelaik, als ge me moar ’n oogenblikskelaat uitbloaze.
Eet
EE?
rt
BEER 5
En EE
? |