| Full text |
172
(6)
Uit tweerlei hoofdoorzaken zijn deze weerklanken hier in
bewaard gebleven : eenerzijds doordien kunstenaars van allen
aard, van boekbinders en tapissiers tot musici en poëten, hunne
diensten aan de stad hebben verleend en de vergelding dezer
diensten hier is geboekt; anderzijds doordien de stad zelf, min-
stens sinds de tijden van het humanisme, het als een gebruik van
goeden huize aanzag, humanisten, kunstenaars en geleerden ’t
zij met een geschenk te vereeren, ’t zij met een beurs te onder-
steunen bij passende gelegenheid, welke vereering ook telkens
haar weerklank hebben moest binnen de muren van de reken-
kamer.
Maar de eene beleefdheid noopt tot de andere. En zoo ont
wikkelde zich de gewoonte, — gansch bijzonder bij letterkundigen,
humanisten vooral, en musici, — de uitgave van nieuwe werken,
met een lofrede op stad en magistraat als voorwoord, aan deze te
dediceeren. De geschenken geraakten daardoor vermenigvuldigd,
en zeker kapittel uit de rekeningen krijgt het aanzien van een
catalogus van boeken, met zeer hooge prijzen naast de titels,
want het zijn eere-prijzen.
Deze hoofsche zijde van het oude cultuurleven heeft echter
ook, na een hoogtij, een ebbe gekend; wanneer de stadsrekeningen
jaarlijks een immer grooter tekort boeken, verminderen en ver-
dwijnen ten slotte de inschrijvingen in het kapittel der « recom-
pensen ende vereeringhen ». Dit is namelijk het geval rond de
veertiger jaren van de XVIIde eeuw. En dit rechtvaardigt den
« terminus ad quem » dien we gekozen hebben. Nog wel komen er
de volgende jaren geschenken voor, nog wel worden er kunste
naars in den dienst der stad aangetroffen, maar sinds de hoogtij
voorbij is van het economische leven, is toch ook het zenith over-
schreden van kunst- en letterglorie, en het eene taant met het
andere, zoodanig dat onze opzoekingen uit de jaren na 1650
door hun armoedigen uitslag, de waarde en de beteekenis ris-
keerden te schaden van die uit de groote voorgaande periode. Na
1650 is het humanisme nog slechts een herinnering, is de Ru¬
bensperiode ten einde, is de geleerdheid in deze stad niet meer
voor de wereld berekend zooals men het aandierf te voren, en is
de stad niet meer bij machte de vergulde kopschalen met de stads
wapens, bij tientallen uit te deelen.
Tusschen beide datums 1576 en 1650, ondanks het nooit
geheel geweerde spookbeeld van den oorlog, is Antwerpen een
|