| Full text |
37
tijd lang voor het eerst te Brugge te onderhouden, en elk
de zijnen te onderwijzen en daartoe te houden datt elk
den koopman geven zoude wat hij schuldig en plichtig is,
en in middelertijd te overleggen omtrent de translatie
van het kantoor ».
Aan de stad Antwerpen schreef men om het « be¬
stand » dat te Kerstmis expireerde, nog een jaar te ver¬
lengen.
Terloops weze hier opgeteekend dat de Oosterlingen
Brugge laanzien als « machtiger en meer ontzien bij de
heeren van den lande om de privilegiën te verdedigen, dan
Antwerpen ».
De verlegging naar Antwerpen beslist (1518).
Het bestand met Antwerpen werd verlengd, en stilaan
ging het naar vriendschappelijker verhoudingen. De
Hanse-dag van Lubeck in Juni 1518 zou hoofdzakelijk
gewijd worden aan het kantoorvraagstuk.
De koopman is er slechts door zijn secretaris vertegen¬
woordigd, en wordt erom gelaakt. De secretaris klaagt
over de kooplieden van Brunswijk, meldt dat het Zwin
beter bevaarbaar is geworden. De Saksische steden willen
Brugge erkennen, mits wol, koper, vitriool en geitenvellen
van den stapel af te scheiden. Lubeck zegt dat men dan
beter het kantoor kan opgeven. Daarop bespreekt men die
verlegging naar Antwerpen. Men besluit een gezantschap
daarheen te zenden waarin de leidende steden, Lubeck,
Hamburg, Keulen, Brunswijk, Danzig zullen vertegen-
woordigd zijn. Men zal gaan onder voorwendsel het be¬
stand te verlengen zoodat Antwerpen niet merkt dat men
iets meer begeert, waarom het zijn eischen vermeerderen
zou. Maar wanneer het er op aan komt een daatum voor het
gezantschap vast te stellen, komt het tot oneenigheden.
Danzig, Dortmund en Luneborg kanten zich nu tegen het
verleggen van het kantoor. Voor hett gezantschap zal men
een « gezamenlijke volmacht » geven, ten einde Antwer-
pen niet te weten kome « hoeveel steden er nog in de
Hanse zijn ».
Het gezantschap zou te Antwerpen zijn op St-Michiels
(29 September 1518).
|