| Full text |
39
naar Antwerpen te brengen en over de kantoorverlegging
te praten, — maar de Duitschers vertrouwen de Wet van
Antwerpen niet meer (3 December 1518). Onze Antwer-
penaars drukken er hun verwondering over uit dat de
Oosterlingen van Gent op Mechelen hun « wederheimreis »
maken en Antwerpen zijn mijdende. Zulks vernemend heeft
de Wet hen afgestuurd om mogelijk misverstand op te kla-
ren; gaarne hadde de Wet met hen gehandeld over « de
artikelen der residentie ». Men stond er borg voor dat de
Oosterlingen te Antwerpen niets onaangenaams zou ge
schieden. De Duitschers antwoordden dat men geenerwijs,
na het afscheid met die van Brugge genomen, met die van
Antwerpen in een nieuwen handel treiden kon. Maar men
gaf die van Antwerpen te verstaan dat hoewel men wel
wist dat de Wet zich zou verzetten tegen de vijandighe-
den van de Antwerpsche beschadigden, men zich toch ook
herinnerde hoe Antwerpsche schippers meermalen woest
waren te werk gegaan. En men wees er op dat men bijna
7 weken lang in Antwerpen had gelegen, zonder van
iemand van de Wet te zijn ontvangen gewweest; de stad heeft
hun integendeel een vijandig gemoed getoond. Nu naar
Antwerpen reizen, waar men zoo lang had gelegen, en
over de residentie handelen, in afwezigheid van die van
Keulen en Brunswijk, was in geenen wege doenlijk.
Gaspar van Halmale, van Antwerpen, heeft nog gezegd
dat indien men bij name wist wie tegen de Oosterlingen
eenige bedreiging uitte, de Wet den man zou straffen ten
exemple voor anderen. Hij raakte ook nog de kwestie aan
van het voorgestelde proces in de zaak der beschadügden,
maar slecht bekwam het hem. Ten slotte beloofde van Hal-
male dat hij met de Wet zou spreken om een wijder en
ruimer bestand, en hij twijfelde niet of de stad zou daarin
al doen wat in hare macht was.
Hierop zijn zij eerzaam gescheiden.
Betere regeling van het Brugsche stapelrecht (1519).
De Wendische stedendag van Lubeck, Januari 1519.
neemt de te Antwerpen en te Brugge gehouden onderhan¬
delingen in overweging. Men besluit de residentie te
Brugge te behouden, maar stapel en privilegiën naar de
noodwendigheden des tijds te herzien. Typisch is hierbij
de wensch van den koopman van Lubeck: « dat de goe¬
|