| Full text |
38
Antwerpen stoot de Hanse af (October-December 1518).
Die van Keulen waren te Antwerpen op post op 29
September, maar Lubeck en Hamburg lieten op zich wach-
ten tot 12 October, en dan bleef er nog naar de Brunswij-
kers uit te zien die met de andere Saksische steden het
meest voor de verlegging naar Antwerpen geweest waren.
Ze kwamen toe op 24 October.
De stad Antwerpen hield zich echter zeer koel tegen¬
over de Hanse-afgevaardigden. Men verwelkomde ze niet
eens, en men schonk hun niet zooals in vroeger tijden de
accijnsvrijheid.
Op 28 October zet meester Jacob de Vocht de onder-
handelingen in; hij spreekt zelf van de gewenschte ver¬
legging, maar voegt er aan toe dat eerst en vooral de aan¬
spraken der beschadigden uit den Deenschen oorlog moe¬
ten voldaan worden. Keulen en Brunswijk, de vrienden
van Antwerpen, worden door Lubeck gelast dit aan Ant-
werpen te betwisten. Men stelt voor de zaak voor het
Reichskammergericht te brengen, maar de Antwerpenaars
zeggen dat ze daar te arm toe zijn, en er de taal niet
verstaan: geen scheidsgerecht maar schadevergoeding!
Nu de zaken zulken loop nemen, vindt men het toch
goed opnieuw nader tot Brugge te komen. De stad Brugge
heeft haar afgevaardigden gestuurd, Cornelis van Velen-
chym, raad, Robert Hellin, pensionaris en anderen. Op
24 November beginnen de onderhandelingen met Brugge
te Brugge zelf. In tegenstelling met Antwerpen, viert
Brugge de gasten. De Bruggelingen vatten zelf de twist-
punten van wijn- en bieraccijns alan, en geven alles toe,
als de koopman maar zijn residentie te Brugge wil houden,
en « niet het gansche jaar op de markten liggen ». De
Hanse verzoekt maatregelen tegen eventueele vijandelijk-
heden vanwege Antwerpen: Brugge zal die treffen. Alleen
zien beide zijden in dat ettelijke wijzigingen aan het sta-
pelrecht ter wille van den tijd zijn noodig geworden. Zoo
hoopt men dan van beide zijden het te Brugge te kunnen
houden, en er al de Hanse-kooplieden terug toe te bren-
gen.
Intusschen geeft er men zich te Antwerpen rekenschap
van, dat de Oosterlingen de stad ontsnappen. Men stuurt
afgevaardigden naar Mechelen, waar ze die van Lubeck
en Hamburg op de terugreis ontmoeten, ten einde ze weder
|