| Full text |
betuigen bij Zondag- en Paasviering, bij religieuse ommegangen en andere
kerkelijke plechtigheden, een volmaakte katholieke samenhorigheid.
We noteren, van rond 1720, een naar voren komen bij de hogeren,
van de Franse vie mondaine. De Antwerpse Meir speculeert te Parijs in
de dagen van John Law, le père de l’inflation, van de beruchte Compagnie
de l’ouest, of, kortom, van de „windhandel”. De Antwerpse kapitalisten
hebben gedeeld in 1720 in de Lawbankroeten. De geldhandelsmoraal
is bedenkelijk geworden, en we hebben geen Lessius meer, om de gewetens
op te klaren. De Parijse gemanierdheid heeft hier poortersrecht verwor-
ven. De paters Jezuieten, die met hun rhetoricastudenten de erewagens
der ommegangen schikken en bezetten, leiden hun leerlingen op in poli-
tesse en elegantie. En de Ursulinnen zorgen niet minder voor de Franse
distinctie der vrouwelijke jeugd; Simon-Pierre Dargonne, de logeman,
wordt er eenmaal maître de maintien et de danse. De Franse bezetting (2o Mei
1746 tot December 1748) heeft nog meer de Franse galanterie ingeburgerd.
Het legertheater van C. Favart speelde zijn nieuwe stukken La Brabançonne
généreuse, Lamour au village, L’école des amours grivois..., waar Louis XV
kwam naar zien, en, eens het doek gevallen, was het die ketterse veld-
maarschalk, Maurice de Saxe, om zijn divinité adorée, de 19jarige mevrouw
Favart te doen. Tijdens de overwintering van 1746-1747 was het, voor
monsieur d’Hérouville en zijn officieren, niet minder dan te Brussel,
„la guerre en dentelles”. Die authentiek-Franse bienséance was aansteke-
lijk. Zo zal het ook eenmaal „de bon ton”, en „de bonne compagnie”,
worden voor familiën uit de adel en hogere burgerij zijn naam te geven
aan La Concorde Universelle, al zal men geen Zondag de Mis overslaan.
De ons bewaarde catalogen van bibliotheekveilingen bij afsterven van
vooraanstaande burgers, ja zelfs van een kerkmeester, vermelden ver-
rassende titels. Ook te Antwerpen heeft La nouvelle Héloïse (1762) haar
vogue gehad, en de Mercure de France, in de tijd van Marmontel (1758)
behoorde in menig Antwerps hôtel de maître tot de salonmeubilering.
Maar ongetwijfeld bleef dit alles beperkt tot de hogeren die zich verfranst
hadden. In de volkstaal was er niets van die aard. En voor degenen die
Frans spraken en er aan deden, was het een mode, zoals andere moden,
zo wat om het niveau en de „distinctie” van de „stand” te houden.
In de middenstand, die nog door en door Vlaams is, houdt men aan
de gewoonten van de goede, oude tijd. Men gispt de Franse manieren.
Maar er is vermeerdering van genotzucht, van vermakelijkheden, van
toneelspel en dans; en de vastenavonddagen worden volksdagen van dolle
uitspatting. De geestelijkheid, de predikanten in het bijzonder, trachten
het euvel te bestrijden. In de jaren van Maria-Elisabeth, zo merkt men op,
zou het niet waar geweest zijn ! Die losheid — we mogen nog niet los-
bandigheid zeggen, — wint eerst terrein na 1760, in de jaren van Karel
van Lorreinen; en Brussel is daarin Antwerpen voorafgegaan.
16
|