| Full text |
1013
DE GULDE VAN ST. ANTHONYS
Gylys van der Tanghen ende Jacob de Hont, beyde als meesters, hebben voer ont-
fanghen 6 lb. gr. Br. anno 1515, 3 Mei ende dese kerse moet berren allen maendage
alsmen synt Anthonys mysse singet, ende op alle andere hoge dagen als men be¬
hoert dye kersen tonsteken.
Item dit is dat den outaer toebehoort.
Item 2 (3) ornamenten ende een misboec ende een sangboec ende 2 silveren
ampullen, eenen silveren vergulden kelc metten patele, een houten pees, 4 outaer
dwalen, 4 zijden gordinen, een crone daer men kersen op set, een kiste, 3 cande¬
laers ; ende noch in die garfcamere beneden voer daer dat die priesters haer handen
wasschen, is een ammaris daer men dat ornament in sluut, daer mede dat men die
lesende misse doet.
Item noch een bert daer sint Anthonys in staet, ende een tafellet daer silveren
bellekens in hangen ; ende als men sint Anthonijs misse doet op sinen dach, zo
salmen dat tafellet daer hanghen ende open doen, ende brenghent dan weder daer
men die maeltijt houden sal, ende dan saelt daer bliven dat jaer lanc tot des mees-
ters huus.
Item noch een cofferen, oft een lay, daer die scepene brieven in besloten sijn
ende die boucken, ende dat sal bewaren die outste meester. »
Dit was hetgeen men bezat in 1450. De « pees » is een peis, de
garfcamere is de geruwcamere of sacristie ; het tafellet is een « ta¬
bleau » besloten met openslaande luiken, naar de gewone betekenis ;
wat echter de bellekens hier te betekenen hebben, weten we niet.
Deze tafeletten of kassen zijn de voorlopers van de drieluiktafels der
altaren.
Na 1450 en vóór 1515 schrijft men bij :
« Noch in der capellen van sinte Anthonis, zeven scoone candelare met drie
ghegoten candelaren jeghens sinte Anthonijs over, voer den sterfdach ende opvaert
van onser liever vrouwen in den muur gehouwen.
Noch twee van den selven op elc zijde van sinte Anthonis in den muur ghe¬
houwen ende in gelaten.
Noch sijn daer 6 inckel latoenen ghegoten scoon opgaende candelaren, in den
muur ende metselrijen inghelaten.
Ten slotte geeft ons het schrift de eerste « broeders ende suste-
ren van s-Anthonijs gulde tOnser Vrouwe ». De eerste schrijver van
het handboekje heeft er 65 opgetekend en we ontmoeten er ettelijke na-
men bij, die uit de geschiedenis van Antwerpen nader zijn bekend.
Daar bij vele namen het ambacht van de persoon vermeld is, geven
zij ons tevens aanduidingen omtrent het midden waaruit de leden
stammen:
Meester Everaert spoerwater,
Heer Jan van Mortsel, priester,
Peter van den Werve,
Winant van Lit,
Ariaen van Pantgate,
Lodewijck van Ranst,
Aert van der Wimaer, roetverwer,
Willem Bode, brouwer,
Peter Kant, lakenbereider,
Jan van Rinegen, in de gans,
Jan die Bye, screynmakere,
Jan de weert, backer,
Meester Claes, scermer,
Thonijs, pasteybacker,
|