| Full text |
14
bekomen van het H. Doopsel,... maar benevens vele anderen
die heel wat slechter geworden zijn dan de « vuile negers »
heel wat onbeleefder
zij zijn immers « zwarte Blanken », —
tegenover de Blanken, en die weinig of niets van hun oud
bijgeloof hebben afgelegd.
Waar is de redding?
Zeker is het heidendom ontoereikend, zelfs het gelouterde en
volmaaktere heidendom, om tot de ware beschaving op te voeren.
Wetten, verordeningen uitvaardigen ?
Maar ’t is duidelijk dat de Staat, ofwel, in vele zaken niet kan
ingrijpen, ofwel, waar hij het kan en doet, zijne pogingen tot
hervorming, meestal en om verscheidene redenen, ondoelmatig
ziet blijven.
Wat baten toch b. v. maatregelen om vuiligheid en besmetting
te doen verdwijnen, als er geen de minste bekrachtiging bij is.
Wat baat het wandaden als diefstal, moord, giftproef, te
verbieden, als de schuldigen straffeloos blijven ?
Waar zijn de rechters, als ’t niet tegen een Blanke te doen is ?
En wat kunnen de rechters als getuigen en betichten weigeren
te verschijnen ?
En die mooie « coutumes indigènes » — lees inlandsche
misbruiken — die den man toelaten een vrouw te huren en voort
te verhuren als een stuk vee, die echtbreuk en overspel en
ontucht in ’t land brengen ? Want vroeger werd dat alles
streng gestraft : Jongens die wat al te vrij met meisjes omgingen,
men stak hun pili-pili in de oogen, enz., enz. Doch nu!?
« Ce qui est souverainement pénible aux missionnaires, zegt
Mgr Leroy, die op ervaring en Zwartenkennis mag aanspraak
maken, c’est de constater l’indifférence absolue (of, mogen we
er aan toevoegen, dikwijls de onmacht) que montre toute
administration européenne pour la protection morale de
l’indigène, l’établissement de la famille et le souci des principes
|