| Full text |
12
we hooger gewaagden: de geestgesteltenis en het diep
ingeworteld bijgeloof der Zwarten zelf. Voor buitenstaanders
zullen we hierover wat breeder uitweiden.
De Zwarte heeft een heel andere wereldbeschouwing en
bijgevolg een heel andere doening dan wij. Hij is mensch als wij,
denkt, bemint, gevoelt als wij. Doch hij denkt niet na, of althans
hij handelt alsof hij niet redeneerde. Hij volgt zijn natuurdrift.
En daar zijn medemenschen die dezelfde natuur hebben en
’t zelfde gebrek aan vorming, twijfelt hij er niet aan of in dit of
dat geval heeft die of gene dit of dat gedaan : het moet zoo
gegaan zijn. Zoo ook moet het gaan bij de dieren, die noodzake
lijk hunne natuur volgen. (1)
Alle mensch is natuurlijk godsdienstig : dat is ook de Zwarte.
Hij heeft de gedachten behouden van één Opperwezen, den
« grooten », den « machtigen » God, hier « Nzambi p’ungu »
genaamd, van geesten, van zielen, « mukisi, babimbindi... » Doch
ook de geesten en de spoken zijn in hun doen en laten net als
de mensch. Hoe zou het anders ? Wat de Godheid aangaat, die
aanroept of liever vernoemt hij meermalen daags. Overigens
bekreunt hij er zich bitter weinig om. God is degene die alles
gemaakt heeft, ’t goed en ’t kwaad, al wat is, de geesten en de
menschen met hun kwade neigingen en hun booze werken. Dit
is nu eenmaal zoo. Ja, de Zwarte is bijna fatalistisch in zijn
geloof.
Hem dat afpraten en het tegenovergestelde bewijzen ?... Gelijk
zult ge wel krijgen... maar daarom staat hij zijn bijgeloof niet af.
De waarheid toch, daar zit hij niets mee in. De onzin van het
« simul esse et non esse » kan hem weinig schelen. « De Ouden
hebben ’t zoo geleerd », of hij meent dat het hem zus of zoo voor-
deeligst kan zijn : daarnaar denkt en handelt hij, noodzakelijk.
(1) Dit is de uitleg waarom de Zwarten in hunne vertellingen de
dieren menschentaal en menschengedachten leenen, al weten zij zeei
goed dat de dieren niet spreken.
|