| Full text |
dienst te vinden zijn, zooals bij hunne stamgenooten van genen
oever van den Nzadi.
Hoe kan men dus spreken van VERVAL ?
Ten eerste, ’t valt hard te betwijfelen of de zoogenaamde
primitieve volkeren, in den BEGINNE, werkelijk zoo wild en zoo
dierlijk geweest zijn, als de ontwikkelingsleer beweert ; dat ze
noch bovennatuur kenden noch zedeleer noch eenige maat
schappelijke instelling. Wel integendeel : al wat ze van gods-
dienst en zeden tot heden toe bewaard hebben, wijst veeleer
op betere tijden van betrekkelijk hoogere « cultuur ».
Ten tweede, — en dit is geen loutere onderstelling — de
overbevolking, die tot voor een paar eeuwen terug en later nog,
deze gewesten in bezit nam, de oorspronkelijke bevolking
(Basundi’s (?) van ’t Oosten gekomen, dwergen ??) verdrong
of opslorpte, verraadt een hoog geboortecijfer, familiedeugd en
wilskracht.
Doch wat er ook van zij, wij zien, in deze laatste jaren, het
verval bij der ooge. De dorpen sterven uit. Plaatsen van boven
de 100 hutten zijn, in tien jaren tijds, gedaald tot 25 ; andere
van 50, van 30 hutten, zijn op minder dan drie jaar op 15, op
8 gekomen. Kleinere dorpen verdwijnen. En er zijn geen mannen
meer, groote struische kerels, als vóór een jaar of vijf — behalve
ergens een dorpshoofd en een kapita.
Ik spreek niet van kleinere streken of onderstreken die
uitsterven, noch van den Kabinda-kant, door de vreeselijke
slaapziekte in een woestijn herschapen, noch van Midden- en
Opper-Kongo, waar beurtelings slavenhandel, wreedheden,
zedenbederf en slaapziekte gansche stammen verwoestten.
Nogmaals : ’t gaat vooral over ons binnenland. Men heeft
zooveel goeds gezegd en geschreven van den Kongo, van de
Zwarten en van den grooten vooruitgang der beschaving, dat ik
het nuttig oordeel, op gevaar af van door te gaan voor pessimist
en zwartziener, ook eens den schaduwkant van al dat mooie
te laten inzien.
|